ALGEMEEN – Nestor gaat diep, Paula mikt hoog

Een historische reconstructie over een puttenmaker en een modiste in het Pajottenland van 1932

We schrijven augustus 1932. De zon hangt boven het golvende Pajotse landschap en na iedere passerende kar blijft op de onverharde dorpsweg een wolk stof achter. Stromend water is in heel wat woningen nog toekomstmuziek. Wie water nodig heeft, haalt het uit een bron, een pomp of een eigen waterput. En wie op zondag enigszins behoorlijk voor de dag wil komen, verschijnt liever niet zonder hoed in de kerk.

We nemen u mee op bezoek bij Nestor en Paula. Hij is puttenmaker, zij modiste of hoedenmaakster. Nestor verdient zijn brood diep onder de grond. Paula zorgt ervoor dat haar klanten met opgeheven hoofd over straat kunnen.

Een merkwaardig koppel? Misschien. Toch hebben hun beroepen meer met elkaar gemeen dan men op het eerste gezicht zou denken. Zowel een waterput als een dameshoed moet stevig zijn, zorgvuldig worden afgewerkt en liefst jarenlang meegaan. Al is het vanzelfsprekend niet de bedoeling dat de hoed evenveel water opvangt als de put.

Deze bijdrage is een historische reconstructie. Nestor en Paula zijn fictieve personages, samengesteld op basis van de werkwijze en leefomstandigheden van vroegere ambachtslieden.

Zonder waterleiding moest men zelf zijn plan trekken

Nestor – Stoor in de volksmond – is die ochtend al vroeg vertrokken. Een landbouwer enkele dorpen verderop heeft een nieuwe waterput nodig. Op een boerderij is water onmisbaar: om te drinken en te koken, maar ook voor het vee, de was en het schoonmaken van melkemmers en ander landbouwmateriaal.

Even de kraan opendraaien en wachten tot het water stroomt, is er in 1932 op veel plaatsen nog niet bij. Waar geen openbare waterleiding ligt, zijn gezinnen en landbouwers aangewezen op een bron, pomp of waterput.

Waar die put precies moet komen, is niet altijd eenvoudig te bepalen. Soms wordt iemand met een wichelroede ingeschakeld. Die stapt ernstig over het erf tot zijn gevorkte tak begint te bewegen. De wichelroedeloper wijst vervolgens de plek aan, maar of daar werkelijk water zit moet Nestor maar bewijzen. De ene krijgt de ingeving, de andere de blaren.

In het plaatselijk dialect sprak men niet over een gemetselde waterput, maar over een ‘stieput’. Het woord was een verbastering van steenput en verwees naar de bakstenen wand waarmee de diepe schacht tegen instorting werd beschermd. Nestor was dus een puttenmaker die stieputten aanlegde — een omschrijving waarbij in het dorp iedereen meteen wist waarover het ging.

Laag na laag de diepte in

Een waterput maken is zwaar en gevaarlijk werk. Eerst wordt een brede, ronde kuil gegraven. De aarde gaat in emmers naar boven, waar een helper ze leegmaakt. Naarmate de put dieper wordt, verdwijnen het daglicht en de frisse lucht. De ruimte wordt smaller, de grond vochtiger en het werk almaar gevaarlijker.

Bij een veelgebruikte werkwijze wordt bovenaan een ronde putwand in baksteen gemetseld bovenop een ring van hout of steen. Vervolgens graaft de puttenmaker voorzichtig de aarde onder de onderste rand weg. Door zijn eigen gewicht zakt de gemetselde koker langzaam dieper. Daarna worden bovenaan nieuwe lagen baksteen toegevoegd en begint hetzelfde werk opnieuw.

Dat klinkt eenvoudig, maar dat is het allerminst. De wand moet gelijkmatig zakken. Daalt één zijde sneller dan de andere, dan kan het metselwerk scheef komen te staan of barsten. Ook instortende aarde, vallende stenen, binnensijpelend water en een gebrek aan zuurstof vormen een gevaar.

Nestor werkt daarom nooit alleen. Boven hem staat een helper die de emmers ophaalt en voortdurend contact houdt. Zolang Nestor vloekt, zingt of om een nieuwe emmer roept, weet de man bovenaan dat alles min of meer in orde is. Wordt het plots stil, dan betekent dat niet noodzakelijk dat Nestor eindelijk tevreden is.

Letterlijk in de put

Hoe diep Nestor moet graven, hangt af van de bodem en de hoogte van het grondwater. Op sommige plaatsen vindt hij vrij snel water. Elders moet hij vele meters naar beneden.

Wanneer het grondwater begint binnen te sijpelen, wordt het werk nog lastiger. Nestor staat dan met zijn voeten in de modder terwijl hij verder graaft en de putwand laat zakken. Pas wanneer voldoende water toestroomt, kan de put worden afgewerkt.

Bovenaan komt een stevige rand, zodat kinderen, dieren en vuil niet zomaar in de opening terechtkomen. Het water wordt met een emmer en een rol opgehaald. Later verschijnt op of naast veel putten een handpomp.

Na dagen van graven, metselen en modder scheppen is de klus geklaard. De boer heeft water en Nestor ziet eruit alsof hij zelf pas uit de grond werd opgegraven.

Bij Paula blijft de modder buiten

Terwijl Nestor meters onder het maaiveld werkt, ontvangt Paula haar klanten in een kleine maar verzorgde voorkamer. Op tafel liggen linten, spelden, stukken vilt, kunstbloemen en veren. Langs de wand staan houten vormen waarop de hoeden worden gemodelleerd.

Paula noemt zichzelf niet zomaar hoedenmaakster. Zij is modiste. Dat klinkt deftiger en bij haar werk hoort nu eenmaal een zekere elegantie. Bovendien verkoopt een moeilijk woord doorgaans beter dan een eenvoudig woord, ook in 1932.

Een hoed is in die tijd veel meer dan een bescherming tegen zon of regen. Een vrouw draagt hem wanneer ze naar de kerk gaat, op familiebezoek trekt of een huwelijk, begrafenis of processie bijwoont. De vorm, kleur en versiering hangen af van de gelegenheid, de leeftijd van de draagster en uiteraard van haar geldbeurs.

Men kan veel over een vrouw te weten komen door naar haar hoed te kijken. Althans, dat denkt het dorp — en het dorp denkt veel.

Geen twee hoofden zijn gelijk

Paula begint met het meten van de hoofdomtrek. Daarna kiest ze samen met de klant een model en het geschikte materiaal. Hoeden worden onder meer gemaakt van vilt of stro. Het materiaal wordt bevochtigd of met stoom soepel gemaakt en vervolgens over een houten hoedenvorm gespannen.

Daarna volgen het modelleren, drogen en afwerken. De rand wordt gevormd, de binnenzijde krijgt een voering of zweetband en ten slotte wordt de hoed versierd met linten, plooien, bloemen, tule of veren.

Vooral dat laatste is een delicate zaak. Eén bloem te weinig kan sober ogen; met één veer te veel lijkt de draagster klaar om op te stijgen.

Paula luistert daarom niet alleen naar wat haar klant vraagt. Ze kijkt ook naar de vorm van het gezicht, het kapsel, de jas en de gelegenheid waarvoor de hoed bestemd is. Een jonge vrouw die naar een huwelijk gaat, verwacht iets anders dan een oudere dame die iedere zondag op dezelfde kerkstoel plaatsneemt — en van daaruit een uitstekend zicht heeft op de hoeden van alle anderen.

De zondagse hoedenparade

Op zondag komen de creaties van Paula allemaal tegelijk buiten. Langs de dorpsweg trekken vrouwen en meisjes in hun beste kleding naar de mis. Sommige hoeden zijn eenvoudig, andere rijkelijk versierd.

Voor Paula is dat telkens een kleine tentoonstelling van haar werk. Ze ziet onmiddellijk welke hoed goed werd bewaard, welke een regenbui heeft doorstaan en welke door de eigenares eigenhandig werd ‘verbeterd’.

Dat laatste is niet altijd een succes. Een extra lint kan nog, maar een bloem uit de huiskamer op een zondagse hoed spelden, noemt Paula geen creativiteit. Ze noemt het vandalisme.

Ook mannen dragen in die tijd vrijwel altijd een hoofddeksel. Herenhoeden en petten worden echter vaker door gespecialiseerde hoedenmakers of fabrikanten vervaardigd. De modiste richt zich hoofdzakelijk op dameshoeden en bijpassende accessoires.

Twee beroepen, twee werelden

Aan het einde van de dag komt Nestor thuis. Zijn schoenen zitten onder de modder, zijn handen zijn ruw en zijn kleren ruiken naar vochtige aarde. Paula zit nog gebogen over een vilten hoed waarop ze voorzichtig een lint bevestigt.

Hij heeft die dag geprobeerd een hol in de grond zo diep mogelijk te maken. Zij heeft geprobeerd een hoed zo sierlijk mogelijk op een hoofd te laten staan. Nestor werkt met schop, truweel, bakstenen, touwen en emmers. Paula met naald, draad, stoom, linten en spelden.

Toch delen zij hetzelfde vakmanschap. Beiden werken hoofdzakelijk met hun handen. Beiden leveren maatwerk en moeten kunnen rekenen op ervaring en een geoefend oog. Een slecht gemetselde waterput kan instorten. Een slecht gemaakte hoed stort hoogstens het zelfvertrouwen van de draagster in, maar in een klein plattelandsdorp kan ook dat ernstige gevolgen hebben.

Werken voor de kost

Nestor en Paula werkten uiteraard niet voor niets. De vergoeding van Nestor hing af van de diepte van de put, het aantal werkdagen en de benodigde bakstenen. Hij werd meestal in geld betaald, al kan op het platteland ook een deel in natura worden vereffend. Eten en drinken tijdens het zware werk horen doorgaans bij de afspraak.

Bij Paula bepalen het materiaal en de versiering de prijs. Hoe meer vilt, linten, bloemen en veren, hoe duurder de hoed. Wie niet onmiddellijk kan betalen, krijgt mogelijk wat krediet maar ook geduld heeft grenzen……Aan het einde van de week moesten hun inkomsten echter op dezelfde plaats terechtkomen: op de keukentafel, waar ook in 1932 de rekeningen werden gemaakt.

Eerst de boorder, daarna de Watermaatschappij

Nestor verliest zijn werk niet van de ene dag op de andere. De gemetselde waterput maakt eerst steeds vaker plaats voor een citerne waarin het regenwater van het dak wordt opgevangen. Met een handpomp, en later een elektrische pomp, wordt dat water naar een kraan in de woning, stal of bijkeuken geleid. De kraan verschijnt dus soms al vóór het leidingwater.

Vervolgens worden ook smallere waterputten geboord. Omdat zo’n boring en de bijbehorende installatie vrij duur zijn, is die oplossing aanvankelijk vooral weggelegd voor bedrijven, grote landbouwbedrijven en welgestelde gezinnen.

Uiteindelijk bereikt het openbare waterleidingnet steeds meer woningen en boerderijen. De Watermaatschappij levert voortaan gecontroleerd drinkwater, eenvoudig door de kraan open te draaien.

Nestor wordt zo stapsgewijs door de vooruitgang ingehaald: eerst door de citerne en de pomp, daarna door de putboorder en uiteindelijk door de Watermaatschappij. Voor de gebruiker een zegen, voor Nestor een weinig opbeurende ontwikkeling. Hij blijft achter met zijn schop en truweel — en wellicht met het gevoel dat hij jarenlang voor niets zo diep is gegaan.

Ook Paula ziet haar klanten verdwijnen

Paula wordt niet door één maatschappij of één uitvinding vervangen. Haar beroep verdwijnt vooral doordat de kledinggewoonten veranderen. Vanaf de jaren zestig raakt de hoed steeds meer uit het dagelijkse straatbeeld. Tegelijk komen goedkopere, industrieel vervaardigde hoofddeksels op de markt.

Vandaag worden nog altijd hoeden, mutsen en petten gedragen, maar aan de meeste exemplaren komt geen modiste meer te pas. Ze worden in grote aantallen vervaardigd, vaak ver buiten Europa, en vinden via kledingketens, warenhuizen en webwinkels hun weg naar onze hoofden.

Wie tegenwoordig een zonne- of regenhoed koopt, past enkele modellen en kiest wat het best zit. Paula daarentegen meet eerst het hoofd van haar klant. Daarna maakt ze één hoed voor één vrouw. Geen tweede exemplaar is helemaal hetzelfde.

Het ambacht is overigens niet volledig verdwenen. Exclusieve, met de hand vervaardigde hoeden duiken nog op bij bijzondere gelegenheden waarop ook vooraanstaande personages aanwezig zijn. Denk maar aan koningin Mathilde, voor wie een zorgvuldig gekozen hoed nog altijd deel uitmaakt van de koninklijke uitstraling.

En wie geen uitnodiging voor een koninklijke plechtigheid ontvangt, kan altijd nog naar Waregem Koerse. Daar lijkt de hoed soms minstens even belangrijk als het paard en krijgt de modiste de kans om te bewijzen dat een hoofddeksel vooral niet onopgemerkt hoeft te blijven. Sommige creaties zijn er zo indrukwekkend dat men zich afvraagt of de paarden oogkleppen dragen voor hun eigen rust of voor die van de hoeden.

Wat achterbleef

Nestor en Paula zouden vandaag vreemd opkijken. Water stroomt op ieder uur van de dag uit de kraan, maar nauwelijks iemand staat nog stil bij de weg die het aflegt. Hoeden en mutsen worden nog gedragen, maar meestal tegen zon, regen of koude en veel minder omdat de zondagsrust of de maatschappelijke gewoonte dat voorschrijft.

Nestor zag de putboorder en vervolgens de Watermaatschappij zijn werk overnemen. Paula zag hoe haar unieke maatwerk plaatsmaakte voor goedkope, industrieel vervaardigde hoofddeksels. Hun beroepen verdwenen omdat het leven gemakkelijker, veiliger en goedkoper werd. Tegelijk ging een stukje plaatselijk vakmanschap verloren: het vermogen om met eenvoudige werktuigen, veel geduld en nog meer ervaring iets te maken dat jarenlang dienstdeed.

Nestor zorgde ervoor dat het water naar boven kwam. Paula zorgde ervoor dat haar klanten met opgeheven hoofd buitenkwamen. Zo droegen ze ieder op hun manier bij tot het dagelijkse welzijn én het zondagse aanzien van het dorp.

Dit nieuwsbericht delen: