Ook toen was het Nieuwjaar – Men zegge en schrijve: zaterdag 1 januari 1949 bij de familie Van Dalen

Het nieuwe jaar 1949  is in Herne zonder groot vertoon begonnen. Geen uitbundige feesten, geen luid rumoer. Wel orde, stilte en een voorzichtig vertrouwen dat het ergste nu achter de rug ligt. In de arbeidershuizen van het dorp herneemt het leven zijn gang, zuinig, traag, bedachtzaam, maar met het vaste besef dat wie lang heeft bijgedragen, recht heeft op verbetering.

Het land ligt er al weken hard bevroren bij. De akkers staan stijf van de vorst, de velden dragen rijm en de beek is met een dunne ijslaag bedekt. Volgens de ouderen zit er ook nog sneeuw in de lucht. Het is een winter die alles vertraagt, maar ook helder maakt: wat overblijft, is wat sterk genoeg is.

Bij de familie Van Dalen, wonend nabij het dorpscentrum van Herne, werd oudejaarsavond doorgebracht in de ‘schoon kamer’. Dat is geen dagelijkse gewoonte. Op gewone dagen leeft men in de keuken, dicht bij de Leuvense stoof, waar gewerkt en gegeten wordt. Maar nieuwjaar vraagt om waardigheid ook bij wie zijn brood verdient met arbeid.

Een arbeidersgezin

Aan tafel zitten Jean-Baptist Van Dalen (38) – iedereen noemt hem Tist – spoorwegarbeider, moeder Maria (35), huisvrouw, en hun kinderen Jozef (13), Louisa (12) en Karel (9), allen nog fris van de wekelijkse wasbeurt die kort voordien geschiedde in de gebruikelijke ijzeren tobbe voor de stoof.
Grootmoeder Anna Van Dalen, weduwe, is er ook bij. Sinds de oorlog woont zij bij hen in, nadat haar huis beschadigd raakte en haar jongste zoon Marcel niet terugkeerde. “Met nieuwjaar moet ge samen zijn en werken is geen straf, maar een plicht tegenover God en je gezin” zegt de diep christelijke Maria. “Dat heeft de pastoor gezegd op de preekstoel. En hij had geen ongelijk.”

Waarom Tist gebleven is

Tist trok niet naar het front. Zoals zovele mannen uit zijn stiel bleef hij bij de spoorwegen. De treinen moesten rijden, ook tijdens de bezetting voor de goederen, voor de arbeiders en soms ook voor bevelen waar niemand fier op was. “Ge deed uw werk,” zegt hij. “Niet voor de Duitsers, maar voor het brood van uw gezin. En omdat iemand het moest doen.”

Zijn jongere broer Marcel werd in 1943 opgeëist. Hij is nooit teruggekeerd en tot op vandaag is niet geweten waar of hoe hij het leven liet. Uit dat verschil – blijven of gaan – heeft Tist geleerd dat offers zelden eerlijk verdeeld zijn.

Orde is geen luxe

De tafel is netjes gedekt met het betere servies. Het linnen ligt strak. De Leuvense stoof brandt zuinig; kolen zijn schaars en duur. “Ze mogen weten dat wij arbeiders zijn,” zegt Tist, “maar niet dat we ons laten gaan.” In veel arbeidersgezinnen is orde een vorm van zelfrespect. Men gelooft in plicht, in werk, in God, en ook dat mannen als Van Acker niet voor niets hun stem verheffen.

Op de Leuvense stoof staat het zware wafelijzer van grootmoeder. Maria bakt wafels, één voor één, traag en zorgvuldig. Dat ijzer heeft meer oorlog gezien dan sommige ministers,” zegt grootmoeder Anna. “En het heeft nooit geklaagd.”

De wafels worden opgestapeld en opgediend met een bescheiden schaaltje suiker. Daarnaast staat er koffie – echte Franckkoffie en geen chicorei – en voor Tist een klein Filliers-jeneverke. Het is een luxe maar ook arbeiders mogen het jaar waardig beginnen.

Goshjdieël roepen

Overdag zijn Louisa en Karel zoals het hoort Goshjdieël gaan roepen. Ze gingen langs bij familie, buren en kennissen. Ze kregen hier een muntstuk in het zakje gestopt, daar een wens of iets zoets. Alleen bij Jean van de pachter was er vandaag toevallig niemand thuis. “Vijf frank en zestien cent, drie karamellen en vier knoppen” zegt Louisa fier. Tist knikt. “Daar moogt ge fier op zijn. Ge hebt het zelf verdiend.” Werk, zelfs klein werk, wordt hier geprezen”.

Voor goed 30 franken per dag moest Tist opstaan om 4u30, om dan rond 5 u met de fiets te vertrekken naar Enghien om daar stipt om 6 u in de vrieskou te beginnen met het afladen van tonnen kolen uit de goederenwagons, één van de zwaarste en vuilste taken van het spoorwegbedrijf. Voor velen van ‘den bureau’ was hij niet meer dan ‘un Flamin d’Herinnes’. Diezelfde handen waarmee Tist overdag kolen uit wagons schepte, gingen dan ook ’s avonds spaarzaam om met de brokken die in de stoof verdwenen.

Herinnering en waakzaamheid

Wanneer de speaker op de NIR een paar minuten voor middernacht spreekt over heropbouw en nieuwe wetten, valt het gesprek stil. Het ging over eenheid en vooruitgang. Tist luisterde zwijgend. Hij wist dat wie elke dag kolen loste, maar al te goed besefte wat vooruitgang kon beteken. “Ze spreken veel over rechtvaardigheid,” zegt Tist. “Laat ons hopen dat het paleis en Brussel eindelijk eens dezelfde taal spreken als de werkman.”

Jozef wordt in maart veertien en zal, als het van zijn vader afhangt, bij de spoorwegen terechtkomen; zelf droomt hij ervan het verder te brengen dan kolen lossen en laden maar ja….. vader beslist. Als leerjongen bij de spoorwegen zou Jozef niet meer dan zes of zeven frank per dag verdienen, maar het was een begin.

Middernacht

Wanneer de klok twaalf uur slaat, staat men recht. “Een ‘gelukkigen’,” zegt Tist  zonder meer en hij nipt aan zijn borrel. Buiten is het stil. Zelfs het varken sliep rustig door in z’n hok. Geen vuurwerk. Geen geroep. Alleen de winter en het dorp dat wakker ligt. “Iedereen denkt hetzelfde,” zegt grootmoeder Anna. “Dat het nu beter moet worden.”

De nieuwjaarsbrief

Na de koffie staat Karel recht met zijn nieuwjaarsbrief. Dat kon absoluut niet wachten tot morgenvroeg. Hij stak van wal met de gekende “Geliefde vader en moeder. Bij het begin van dit nieuwe jaar dank ik God voor de zorgen die gij voor ons draagt en bid ik dat Hij u gezondheid en moed mag schenken”. Verder ging het over gehoorzaamheid, over helpen waar men kan en over vrede en Gods zegen. “Dat is goed jongen,” zei Maria. Het werd niet luid gezegd, maar iedereen begreep wat ze bedoelde. “Schoon … maar…….”

Zo ving het nieuwe jaar goed zeventig jaar geleden aan bij de familie Van Dalen en in zovele al dan niet christelijke arbeidersgezinnen: zonder pracht en praal. Men begon het jaar niet met gejuich en champagne, maar met wafels op tafel, bevroren velden rondom,  lege plaatsen in gedachten en met een hoop die geen woorden nodig had.

Dit nieuwsbericht delen: