Nu de sintdrukte weer verstomt en de snoepzakjes langzaam plaatsmaken voor kerstcadeautjes, trekt Sinterklaas zich eindelijk terug voor de traditionele post-Sinterklaasrust. Een rust die dit jaar meer dan verdiend is. Want hoewel de goedheilig man er opnieuw met vaste tred en warme glimlach stond, verraadt zijn blik dat de energie stilaan op is. “Vroeger trok ik één dag uit om de kinderen te bezoeken… nu verwacht men dat ik al weken vóór mijn feestdag overal tegelijk verschijn.”

Het is een zeldzaam moment: de Sint die even geen kinderen toespreekt, niet poseert voor de camera en niet op een podium wordt gehesen. Hij zit neer en kijkt ons moe maar voldaan aan. “Ik ben blij dat de periode voorbij is,” zegt hij zonder gêne, “niet omdat ik het niet graag doe, maar omdat het dit jaar… érg veel was. Véél meer dan vroeger.”
Wat volgt is een verrassend openhartig gesprek met een man die het feest van 6 december al generaties lang belichaamt en daarmee de evolutie van onze samenleving vanop de eerste rij heeft meegemaakt.
“Na WOII bracht ik vooral hoop, nu breng ik vooral mijn agenda op orde”
Op de vraag hoe de naoorlogse jaren waren, laat hij zijn schouders zakken in een herinnering die bijna tastbaar wordt. “Ja, decennia terug… dat was een tijd van eenvoud,” vertelt hij zacht. “Mensen hadden weinig, maar de warmte was groot. Ik bracht soms een sinaasappel of een handvol karamellen. De kinderen waren er zó blij mee. Dat was pure, vreugdvolle magie.”
“Het dakenlopen was nooit het probleem,” zegt hij geamuseerd. “Dat doet een mens op automatische piloot na al die eeuwen. Nee, het waren de aanvragen. O hemel toch, de aanvragen! Winkels, verenigingen, politieke partijen, sportclubs, scholen, buurtcomités, woonzorgcentra… en zo kan ik nog even doorgaan. Iedereen deed een beroep op mij dit jaar.”
Hij wrijft in zijn baard. “Mijn agenda stond zo vol dat zelfs mijn beste planningpiet het niet meer kon volgen. Ik heb deze week meer tijd doorgebracht in backstagezaaltjes dan op mijn paard. Enfin… dat paard! Zelfs dat wordt tegenwoordig vervangen: soms zit ik in een luxeslee, dan weer in een koets, een tractor, en vorige week nog – ik verzin het niet – in een helikopter. Een mens zou vergeten dat hij eigenlijk zijn eigen rijdier hééft.”
“Vroeger stapte ik gewoon binnen. Nu moet elke verschijning via een draaiboek”
Sinterklaas is te beleefd om te klagen, maar hij windt er geen doekjes om: zijn taak is in de laatste decennia drastisch veranderd. “Vroeger kwam ik binnen waar ik nodig was. Eén klop op de deur, een welgemeend ‘dag kinderen’, en klaar. Nu krijg ik vooraf documenten met pagina’s vol ditjes en datjes: veiligheidsvoorschriften, georkestreerde fotomomenten, wie er wél en niet op schoot mag, welke woorden ik mag en niet mag gebruiken… zelfs GDPR-voorschriften voor peuters. Je hebt er bijna een managementopleiding voor nodig!”
Hij lacht, maar het klinkt een beetje bezwaard. “En dat is allemaal begrijpelijk hoor, de tijden veranderen en tradities moeten mee evolueren. Maar soms verlang ik naar die eenvoud van weleer. En ja… ook rond mijn pieten is er veel veranderd. Zwarte Piet, roetpiet, hulppiet… er zijn discussies geweest, verhitte zelfs, soms moeilijk om te volgen. Maar ik heb altijd gevonden dat de traditie alleen waarde heeft als de kinderen zich erbij goed voelen. Als het hart van het feest maar klopt. En eerlijk? Veel kinderen begrijpen de hele heisa niet eens. Zij willen gewoon een warm, fijn feest, zonder gedoe.”
“Kinderen zijn veranderd – en toch ook helemaal niet”
Kinderen vragen nu om tablets, smartphones, spelcomputers, drones enzovoort. Dat stoort Sinterklaas niet; hij begrijpt dat de tijd verandert. “Maar de warme en creatieve brieven die ik krijg… die maken het allemaal de moeite waard.”
Toch valt hem iets op. “ Twee of drie generaties geleden bracht ik vooral hoop. Vandaag probeer ik kinderen soms gewoon rust te geven. Ze staan onder zo’n enorme druk: huiswerk, hobby’s, sociale media… maar ook prestatiedruk, het gevoel dat alles nu en direct moet, én de sociale druk van buitenaf. Je zou denken dat vooral volwassenen hiermee worstelen, maar ik zie het even sterk bij kinderen. Daarom probeer ik tijdens elk bezoek een moment te creëren waarin ze voelen: je bent goed zoals je bent.”
“Ik ben stokoud, maar nog niet versleten – al scheelt het soms niet veel”
Op de vraag of hij eraan denkt met pensioen te gaan, zakt hij een beetje onderuit, alsof hij even mocht toegeven dat de eeuwigheid hem soms zwaar valt. “Laat ons eerlijk zijn: ik ben stokoud. Mijn gewrichten kraken harder dan het dak van een rijtjeshuis bij vriesweer. Maar toch… zolang de kinderen naar mij uitkijken, blijf ik komen.” Dan knipoogt hij. “Maar een sabbatjaar zou misschien niet misstaan. Al weet ik dat niemand me dat echt gunt, noch de kinderen, noch de marktsector,” grapt hij.
“Moe? Ja. Voldaan? Absoluut.”
Het gesprek loopt op zijn einde en de Sint staat recht, iets trager dan anders. “Het was zwaar,” zegt hij eerlijk. “Maar weet je… elke glimlach, elke tekening, elk kind dat even stilvalt omdat het me écht ziet… dat maakt alles goed. Dat is waarom ik het al die eeuwen blijf doen. Maar nu ga ik een lang dutje doen. Nu is het aan mijn collega, de Kerstman. Ik ben benieuwd of hij het zolang zal volhouden als ik.”
Hij stapt verder, wandelend in waardige, rustige passen. Een vermoeide heilige man, maar één met een hart dat opnieuw met voldoening gevuld is.
















