GALMAARDEN – Goshjdieël roepen wordt door ErGoed uit de vergeetput gehaald

De tijd dat kinderen de laatste dag van het jaar in de vroege ochtend van huis tot huis ‘Goshjdieël’ gingen roepen, vooral in de zuidwestelijke uithoek van het Pajottenland, leek een tijdje gelegen wel zo goed als uitgestorven. Hier en daar zijn er blijkbaar toch nog wel enkele kleine kernen die deze volkstraditie in ere willen houden maar grotendeels is deze gewoonte jammer genoeg wel en goed uit het straatbeeld verdwenen. Is ‘Goshjdieël’ dan ten dode opgeschreven of toch niet?

Goshjdieël als nieuw element op de Inventaris Vlaanderen

De vereniging ErGoed Galmaarden-Tollembeek-Vollezele besloot een paar jaar geleden het gebruik nieuw leven in te blazen. Door de inzet van die erfgoedvereniging neemt het aantal deelnemende kinderen jaar na jaar gestaag toe. Op 31 december om 12u werd ook dit jaar afgesproken met alle Gosjdieëlers en hun begeleiders op het binnenplein van hat Baljuwhuis. Daar werden de kinderen getrakteerd op een fotomoment en een versnapering.

Goshjdieël roepen is geen koningenzingen

‘Goshjiel of Gosjdieël roepen’ precies de dag voor Nieuwjaar valt zeker niet te verwarren met Driekoningenzingen. Die gewoonte leunt overigens aan bij het feest van Driekoningen op 6 januari en is pas ontstaan in het midden van de 20ste eeuw.

Dat dit jaar 31 december op een zondag valt is pech voor de zangers en voor sommige handelaars een zegen. Bij vele handelaars zijn de zangertjes welkom maar….. sommigen zien ze liever niet.
Tijdrovend, storend voor het cliënteel, te veel lawaai,… zijn vaak de gebruikte smoezen om gewoonweg hun ‘gierigheid’ te verdoezelen. Ook het gezin Picard ging huiswaarts met een goedgevulde beurs. Papa Stijn Picard: “Dat Gosjdieël roepen terug leven wordt ingeblazen kan ik persoonlijk alleen maar toejuichen. Ook toen ik nog een ketje was vond ik dat ‘top’ en ik zie nu ook bij mijn kinderen dat zij er kunnen van genieten. Dat genieten geldt niet alleen voor de toegestane ‘belleketrek’ maar ook voor het tellen van de buit.  Dat sommige deuren dicht blijven kunnen de kinderen misschien wel een plaats geven maar in sé niet zo goed begrijpen. Voor hen is het alvast een goede aanzet om dat later niet te doen en zo de traditie van het gosjdieëlen een kans te gunnen om te overleven”.

Gosjhiel/Gosjdieël

Eind 2021 kreeg ‘Gosjdieël’ een plaats als een nieuw element op de Inventaris Vlaanderen van het Immaterieel Cultureel Erfgoed. ‘Gosjdieël’ kreeg daarbij de toelichting van “een gebruik uit het Pajottenland waarbij kinderen op de laatste dag van het jaar van deur tot deur gaan om hun ‘Godsdeel’ te vragen”.

Maar wat betekent ‘Goshjdieël’ nu eigenlijk? Het woord Goshjiel/ Gosjiel/ Goshjdieël blijkt een dialectische verbastering van ‘Godsdeel’ te zijn. ‘Godsdeel’, aan elkaar of van elkaar geschreven, is evenwel als naamwoord in het woordenboek niet terug te vinden. Ofwel werd het woord nog nooit officieel erkend ofwel is het mettertijd afgegleden en bijgezet bij de vergeten en overbodige begrippen. Een nog andere verklaring dat het woord niet in de Nederlandse standaardtaal voorkomt is dat het gaat om een sterk streekgebonden traditie.

Het gebruik zelf, dat kinderen er in de vroege morgen op Sylvesterdag 31 december op uittrekken om wat centen of snoep te sprokkelen, was indertijd vooral in het Pajottenland maar ook daarbuiten nog vrij algemeen verspreid. Opvallend is nu wel hoe deze traditie in de ene gemeente levendig gehouden wordt terwijl ze in een naburige gemeente dan weer vrij onbekend blijft.

Bij ‘Goshjiel/Goshjdieël’ hoort ook alleszins ‘voor wat, hoort wat’. En daarom zingt het jong volkje uit volle borst ook nog typische liedjes die de handelaars en de huisbewoners moeten overtuigen van zijn goede bedoelingen.

Voor de kinderen van een deel van de gegoede burgerij was deelnemen aan de praktijk van ‘Godsdeel’ evenwel niet toegestaan, hetgeen dan ook veelzeggend was. Voor hen stond het volksgebruik immers op dezelfde lijn als behoeftig zijn en bedelen.

Een katholiek gebruik

Het recht van de arme om ‘Gods deel’ te gaan opvragen en de plicht van de vermogende om het te geven hebben wel stevige wortels die tot ver in de tijd voor Christus reiken. De tienden geven was trouwens iets dat al ingesteld was onder de wet van Mozes. Veel later en dichter bij ons was het tiende een belasting die in natura werd betaald op de opbrengsten van de landbouw. Deze belasting bedroeg, zoals het woord het aangeeft, 1/10 van de oogst. In de jaren 6 à 700  voerde de Kerk overigens de tiendplicht in. Dit gebeurde in de eerste plaats ten bate van de geestelijken en van het onderhoud van de kerken, maar ook de armen werden hierbij niet vergeten. Hoe dan ook, de minderbedeelden konden zo eveneens, zij het in mindere mate, delen in een tiende deel van de bezittingen en opbrengsten dat door de clerus werd opgeëist als het deel dat God toekwam.

‘Godsdeel roepen’ is dan ook semantisch verwant met om het Godsdeel vragen aangezien beide duiden op een nadrukkelijk vragen om een geschenk ‘om Gods wil’.

De Franse Revolutie maakte een definitief einde aan de tienden. In ons land werden ze afgeschaft in 1797. Voor de parochies maakte dat weinig verschil, want de tienden waren inmiddels bijna allemaal in handen gekomen van hoog vermogende heren, edelen, kloosterorden, kapittelkerken en andere instellingen.

Barmhartig en vrijgevig

Zeker de winter is een harde noot om kraken als men behoeftig is. Maar dompelaars en bedelaars wisten door de tijden heen maar al te goed dat ze met de intrede van het Nieuwe Jaar met succes een beroep konden doen op de barmhartigheid en de vrijgevigheid van de feestvierende en extravagante gegoeden. Mettertijd werden de dompelaars en de bedelaars evenwel vervangen door de kinderen die, deels uit nood, deels uit overlevering van de gewoonte, ‘Godsdeel’ gingen sprokkelen.

In de loop van de 20ste eeuw steeg de welvaart en namen de kinderen de traditie over van de volwassenen. Ze kregen nog altijd een centje, maar steeds vaker ook snoep. De moeders maakten de traditionele ‘zangzak’ van een dichtgenaaide lap stof of maakten gebruik van een washandje. Al heel lang weten de kinderen dan ook niets meer van tienden maar toch blijven sommigen zich gedragen als trouwe erfgenamen van een eeuwenoud recht van de arme die, tot op een zekere hoogte, aanspraak kon maken op het ‘Godsdeel’. Gelukkig maar voor de folklore en de volkstradities.

Nieuwjaarsliedjes

Enkele voorbeelden van nieuwjaarsliedjes,  het ene al wat ‘katholieker’ dan het andere, die bij het roepen van ‘Goshjdieël’ in groot-Galmaarden en omstreken worden gezongen zijn:

“Oud jaar, nieuw jaar, ‘k wens u een gelukkig nieuwjaar!”
“Oud jaar, nieuwjaar, twee koeken is een paar, ik wens jullie een gelukkig nieuwjaar!”
“Nieuwejaarke zoet, ‘k heb kou voete, ‘k heb ne kouwe rug, ‘k kom volgend jaar terug!”
“Nieuwejaarke zoete, een varken heeft vier voeten, vier voeten en ene staart, is dat dan geen centje waard? Ja ja, dat is waar, ‘k wens gelukkig nieuwejaar!”
“Nieuwjaarke zoete, ‘k heb kou voeten. Laat me niet te lang staan, want ik moet nog verder gaan!”
“Ouwe jaar uit, nieuwe jaar in, de beuze staat open en steekt er maar wat in!”

Wanneer de bewoners de deur van hun woning niet openen worden zij door sommigen doelbewust bedacht met de heel bijzondere attentie “Hoog huis, laag huis, ‘r zit een gierige pin in huis!”

Dit nieuwsbericht delen: